Tot nu toe is er geen origineel geschrift gevonden waarin de symboliek van de graven in Zuid India op een voor ons heldere wijze beschreven staat en daarom heeft de interpretatie van deze graven een speculatief karakter.
De betekenis van een megalithisch graf in Zuid India
In het oude India liet men bouwwerken met de hemel, de aarde en de standen van de zon overeenstemmen. De hemel was echter niet die onmetelijke ruimte zoals wij die nu kennen en de aarde niet de planeet die om de zon draaide, maar in de oude Indiërs dachten dat de hemel en de aarde twee kommen waren waartussen de zon zich volgens vaste wetten zou bewegen. (Rigveda 1,160). Deze beschrijving leidt tot het volgende model:
Vanuit dit model kan het Garapatya-altaar begrepen worden. Met twee andere altaren is het een van de eerste bouwwerken die in India beschreven zijn:
Het ronde altaar, het Garapatya-altaar, meet één vadem want de mens is één vadem hoog, en de mens is Prajapati, de heer van wezens, en Prajapati is Agni, de god van het vuur, dus maakt hij de schoot net zo groot als zijn lichaam, de vorm is rond want de schoot is rond en daarboven is Garhapaiya, de Indiase wereld, en deze wereld is zonder twijfel rond.
Deze beschrijving leidt tot het volgende model:
De zin: “De mens is Prajapati dus maakt hij de schoot net zo groot als zijn lichaam,” houdt in dat de schoot ofwel de aarde net zo groot is als De Mens. De vadem in India is de maat van een mens met gestrekte armen.
In Rigveda 10,90 wordt beschreven dat Purusha, De Mens, op de aarde geofferd werd. Deze veda kan op de volgende wijze in een mandala weergegeven worden:
Nadat Purusha, met zijn duizend hoofden, duizend ogen en duizend voeten de aarde naar alle kanten bedekt had stak hij overal nog eens tien duimen uit.
Toen de goden het offer brachten werd de man geofferd,
Daarbij was de lente de offerboter,
De zomer het brandhout,
En de herfst de besprenkeling.
Ook in deze veda is Purusha, de Mens, bijna even groot als de aarde. Uit het offer kwamen de kasten voort. Geplaatst in de mandala ontstaat het volgende beeld:
In hoeveel delen hebben zij de man verdeeld?
Toen zij hem in stukken scheurden?
Hoe werd zijn mond genoemd?
Hoe werden zijn armen genoemd?
Hoe werden zijn dijen genoemd?
Hoe werden zijn voeten genoemd?
Uit zijn mond ontstonden de brahmanen,
Uit zijn armen ontstonden de krijgers,
Uit zijn dijen ontstonden de landbouwers,
Uit zijn voeten ontstonden de slaven.
-
In deze opsomming vertegenwoordigen de brahmanen de lente omdat dan het nieuwe jaar begint en in de lente belangrijke riten gehouden worden.
-
De krijgers vertegenwoordigen de zomer omdat dan de hitte zo hoog is dat zij moordend is.
-
De landbouwers vertegenwoordigen de herfst omdat aan het begin van de herfst het gewas wordt ingezaaid.
-
De slaven tenslotte vertegenwoordigen de winter omdat in de winter het gewas geoogst en verwerkt wordt.
Vervolgens ontstonden uit dit offer de hemellichamen. Geplaatst in de mandala geeft het volgende beeld:

Uit zijn geest ontstond de maan,
Uit zijn oog ontstond de zon,
Uit zijn mond ontstond Indra,
Ook ontstond uit zijn mond Agni,
Uit zijn levensadem ontstond de wind,
Uit zijn navel ontstond het middelpunt van het heelal,
Uit zijn hoofd ontstond de hemel,
Uit zijn voeten ontstond de aarde.
In dit na elkaar ontstaan van de verschillende hemelse en aardse elementen valt het verloop van het jaar te lezen.
1. In deze reeks vertegenwoordigt de maan namelijk het voorjaar waarin de nacht nog overheerst maar het licht toch krachtiger begint te worden.
2. Vanaf maart gaat de zon weer overheersen. Deze wordt door de wijze Yajnavalka in het oosten geplaatst. (Brhad-Aranyaka-upanisad III-20)
3. In de lente overstromen de rivieren vanwege de warmte hetgeen aan Indra wordt toegeschreven.
4. Agni, de god van het vuur, overheerst in juni waarin de hitte dodelijk is. Yajnavalka plaatst de dood in het zuiden. (Brhad-Aranyaka-upanisad III-21)
5. De wind staat voor de moesson die gewoonlijk in juli binnen komt vallen.
6. De navel, ofwel de navelstreng, symboliseert de rivieren die vanwege de moessonregens overstromen, het land voeden en plant en dier tot leven wekken. Yajnavalka plaatst de Varuna, de god van het water, in het westen. (Brhad-Aranyaka-upanisad III-22)
7. In het najaar gaan de nachten lengen, ofwel de hemel gaat weer overheersen.
8. In december overheerst tenslotte de aarde. Yajnavalka plaatst de Soma, ofwel de god van de maan ofwel een roesverwekkende drank, die in de winter uit de weelderige plantengroei getrokken wordt, in het noorden.
9. Tenslotte plaatst Yajnavalka Agni, de god van het vuur, aan de zenit. (Brhad-Aranyaka-upanisad III-23-24) Yajnavalka beschouwd Agni kennelijk als de oorspronkelijke scheppergod.
Als laatste ontstonden de winden:

Uit zijn oor ontstonden de windstreken.
Zo hebben ze de wereld ingericht.
Het halfronde Dakshnagni-altaar symboliseert de lucht. De lucht verbindt de hemel met de aarde, niet alleen omdat de hemel tot aan de sterren gevuld zou zijn met lucht, maar ook omdat de stormen regen, kou, hitte en zelfs zand aanvoeren. Daarom worden de winden ook wel de dienaren van de goden genoemd: zij voeren de wil van de goden uit en veroorzaken op aarde daadwerkelijk leven en dood.

Zeven palen werden om hem heen geplaatst,
En driemaal zeven blokken brandhout.
De acht hemelse krachten worden maar door zeven palen vertegenwoordigd: de mens wordt namelijk door de zeven hemelse krachten aan de aarde gebonden, alleen de milde lentezon dan wel de ochtendzon en de rituelen van de brahmanen vormen de toegang tot de geestelijke wereld.
Het derde altaar, het Ahavaniya-altaar, stelt de hemelwereld voor. Het is vierkant en de hoeken van dit vierkant liggen precies tussen de vier windrichtingen en de zijden van dit vierkant meten één vadem. Wanneer deze beschrijving in de Purusha mandala wordt uitgewerkt ontstaat het volgende beeld.

Altaren, huizen en steden zijn naar dit vierkant gemodelleerd. Het symboliseert alle mogelijke stoffelijke lichamen en dus ook de menselijke lichamen, waarin met name de zon werkzaam kan zijn en dus tot leven gebracht kan worden en ook kan sterven. Het is zwart omdat een bevruchting in de duisternis van een vrouw plaats vindt.
De vijf elementen
In de Brhad-Aranyanka-upanisad VI-2,9-14 wordt beschreven hoe de mens door middel van vijf elementen, hier getypeerd als brandhout, rook, vlam, houtskool, in vijf etappes tot leven gebracht wordt en daarna sterft. Deze vijf elementen worden eerst in de hemel waargenomen:
De gindse wereld is het offervuur,
Zijn brandhout is de zon,
Zijn rook zijn de stralen,
ijn vlam is de dag,
Zijn houtskool zijn de hemelstreken,
Zijn vonken zijn de tussenregionen,
In het vuur offeren de goden het geloof,
Uit dat offer ontstaat koning Soma,
Vervolgens in de regen:
De regen is het offervuur,
Zijn brandhout is het jaar,
Zijn rook zijn de wolken,
Zijn vlam is het bliksemlicht,
Zijn houtskool is de bliksemschicht,
Zijn vonken is de hagel,
In het vuur offeren de goden koning Soma,
Uit dat offer ontstaat de regen,
Daarna in de wereld:
Deze wereld is het offervuur,
Zijn brandhout is de aarde,
Zijn rook zijn het vuur,
Zijn vlam is de nacht,
Zijn houtskool zijn de maan,
Zijn vonken zijn de sterren,
In het vuur offeren de goden de regen,
Uit dat offer ontstaat het voedsel,
In de man:
De mens is het offervuur,
Zijn brandhout is de geopende mond,
Zijn rook is de adem,
Zijn vlam is de stem,
Zijn houtskool is het oog,
Zijn vonken is het oog,
In het vuur offeren de goden het voedsel,
Uit dat offer ontstaat zaad,

Tenslotte in de vrouw:
De vrouw is het offervuur,
Zijn brandhout is haar geslachtsorgaan,
Zijn rook zijn haar lichaamsharen,
Zijn vlam is haar schoot,
Zijn houtskool is het zaad dat bevrucht is,
Zijn vonken is het genot,
In het vuur offeren de goden het zaad,
Uit dat offer ontstaat de mens,
Na de dood lost de mens weer in de elementen op:
Hij leeft zolang hij leeft,
Maar als hij sterft brengt men hem naar het vuur:
Zijn brandhout is het brandhout,
Zijn rook is de rook,
Zijn vlam is de vlam,
Zijn houtskool is de houtskool,
Zijn vonken worden de vonken,
In het vuur offeren de goden de mens,
Uit dat offer ontstaat het licht.
De platen van een megalithisch grafkamer, die min of meer naar alle kanten uitwaaieren, verbeelden het oplossen van de overledene in de hemelse elementen. Deze worden gesymboliseerd door de keien.

In zuid India zijn de rechthoekige grafkamers van een aantal prehistorische graven uit vier grote opstaande stenen platen opgebouwd. Deze grafkamers, die min of meer overeenstemmen met de gestalte van een mens, worden boven door een stenen plaat afgesloten. In de oostelijke plaat is een klein rond gat gemaakt, dat door een sluitsteen werd afgedekt.
Meestal zijn om deze grafkamers zijn vier grote keien geplaatst die de vier windrichtingen of de vier seizoenen symboliseren.
Het graf van Boeddha
5.12. Op de vraag van Ananda wat er met het lichaam van de Tathagata gedaan moest worden antwoordde Boeddha dat het als een lichaam van een heerser behandeld moest worden. Daarnaast moesten op de plaatsen waar wegen samenkomen stupa’s opgericht worden zodat daar eerbied betuigd kon worden of bloemkransen of geurwerken naar toe gebracht konden worden.
Ook liet Boeddha zien hoe een stoepa gebouwd moest worden: hij nam zijn kleed, vouwde die op, legde daar zijn bedelnap omgekeerd op en zette daar vervolgens zijn staf op.
Door zijn kleed, zijn staf en zijn bedelnap tot een grafmonument om te vormen bleef Boeddha in zekere zin in de lijn met de traditie waarin het gebruikelijk was om bij een dode voorwerpen zoals potten en ijzeren werktuigen te plaatsen die door de dode in het hiernamaals gebruikt konden worden.
Maar Boeddha had geen potten of werktuigen meer nodig en de “gebruiksvoorwerpen” werden in de stoepa zodanig verwerkt dat ze de toeschouwers ten goede kwamen.
Volgens Boeddha zouden namelijk de harten van vele mensen bij de gedachte: 'Dit is de stupa van een Gezegende, een Volledig Verlichte!', gekalmeerd worden en zouden zij gelukkig zijn.
En op deze wijze gekalmeerd en met hun geest gevestigd in het geloof in hem, zouden zij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, geboren worden in de hemelse wereld.
Er werden acht stupa's voor de relikwieën gebouwd, een negende voor de urn en een tiende voor de as zoals in die tijd gebruikelijk was.
De stupa is echter ook vanuit de gangbare symbolentaal te begrijpen. Het kleed werd gevouwen in de vorm van het vierkante Ahavaniya-altaar waarvan de hoeken precies tussen de vier hemelrichtingen liggen. Het is het beeld van de hemel: de fysieke vorm die door de zon tot leven gebracht kan worden. Het kleed symboliseert dus het lichaam.
De omgedraaide kom symboliseert evenals het halfronde Dakshnagni-altaar de lucht. Water houdt verband met het plantenleven en lucht met alle schepselen die ademhalen en ook paren. De luchtkoepel symboliseert daarom het driftleven.
De staf is het symbool van het mannelijke, van de fallus, de speer, van het licht, wijsheid en ook van de dood.

In de Rigveda 1,160 worden hemel en aarde twee kommen genoemd waartussen de zon zich volgens vaste wetten zou bewegen. Deze drie elementen komen in de stoepa terug als lichaam, lucht en licht.
In het oude India veronderstelde men dat de aarde stil stond en dat de zon en het hemel voortdurend aan het bewegen waren. De stupa doorbreekt dit gegeven: het licht staat centraal boven op de stupa en beweegt niet tussen het hemel en de aarde: het hemel staat stil omdat ze volledig op het vierkante “lichaam” rust. De stoepa symboliseert daarom niet het heelal met al zijn bewegingen maar het lichaam van Boeddha zelf.
Het prehistorische graf in Zuid India gaf weer dat de mens zich na zijn dood in de elementen oploste. Het is duidelijk dat daarvan bij de stoepa geen sprake kan zijn, maar dat deze een geheel ander verhaal verteld:
De staf, die boven aan staat, geeft te kennen dat de wijsheid van een Volledig Verlichte zowel over zijn driftleven heerst als over zijn lichaam.
Op eenvoudige wijze is in symbolen uitgedrukt wat Boeddha in een toespraak voor de monniken uitgesproken heeft: "Een monnik moet indachtig en van helder begrip zijn. Met het beschouwen van het lichaam als het lichaam, hij heeft afgedaan met begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld; zo ook met gevoelens, de geest en de mentale objecten. Wanneer hij naar voren of naar achteren beweegt is hij zich gewaar van wat hij doet, in het naar voren of naar achteren kijken, in het buigen en strekken in het dragen van zijn onder- en bovengewaad en in het dragen van zijn bedelnap, in het eten, drinken, kauwen en het proeven, tijdens zijn ontlasting en zijn urineren, in het lopen, staan, zitten en liggen en in het wakker zijn, in het spreken of in het stilzwijgen is hij zich gewaar van wat hij doet."
Boeddha vertelde een nieuw verhaal, maar door het in gangbare middelen te gieten kon het door iedereen begrepen worden.
De standtempel te Mahabalipuram
In tempels die aan hiva toegewijd zijn, zoals de strandtempel in Mahabalipuram, staat een lingam/yoni centraal. Deze symboliseert de goddelijke paringsdaad waaruit niet alleen al het leven maar waar volgens een aantal mythen zelfs de hele schepping voortgekomen is.
Deze bijzondere lingam met een vierkante yoni daaronder staat in een tempel midden in Angkor.

Ook de opbouw van de strandtempel symboliseert de paringsdaad: het piramideachtige hoofdgebouw symboliseert het mannelijke; de zon, de berg, ofwel de lingam en de muur daar omheen symboliseert het vrouwelijke; de aarde, de vallei, ofwel de yoni.
Deze muur is dus niet in eerste instantie neergezet om het hoofdgebouw beschermen maar vormt een wezenlijk onderdeel van het geheel.
De lingam/yoni in het hoofdgebouw stemt dus overeen met de opbouw van het hele complex, zoals een kruis dat in de kerk op een altaar staat in overeenstemming is met de opbouw van de vele kerken die een kruisvorm hebben.
De negen heiligdommen, die op het eind van de zevende eeuw door koning Mahendravarman I en zijn zoon Narasimhavarman I gebouwd zijn kunnen in een eenvoudig schema geplaatst worden. Daardoor wordt een ontwikkeling zichtbaar die in negen fasen het hele jaar omvat.
De strandtempel is van de negen heiligdommen de grootste en de belangrijkste en symboliseert de eerste fase van al het geschapene. Daarom is deze tempel in het bovenstaande schema in het middenvlak geplaatst. Dit is zwart gekleurd omdat een bevruchting zich nu eenmaal in de duisternis voltrekt.
De Nakula Sahadeva ratha
Deze ratha is toegewijd aan Nakula en Sahadeva, zonen van de Asvins. Deze zijn de goddelijke tweeling waarvan de een het uitspansel vertegenwoordigt en de ander de aarde. Zij vormen samen het ideale evenwicht en zijn daarom de artsen onder de goden.
De plattegrond van deze ratha bestaat uit een cirkel en een vierkant.
De voorgevel van deze ratha is uit vier elementen opgebouwd:
Op de voorgevel staat een piek die over de andere onderdelen van deze gevel heerst: het hoefijzer en het vierkant.
Deze gevel is op het zuiden gericht vanwaar de zon elke dag over de aarde heerst. De lucht, die zich tussen de zon en de aarde in bevindt, is de dienaar van de zon die met de aanvoer van hete wind of van regenwolken daadwerkelijk dood of leven op aarde brengt.
De ronde achtergevel van de ratha stemt min of meer met het Garapatya-altaar overeen: de halve koepel bovenaan symboliseert de Indiase wereld, ofwel het uitspansel, en de ronde ondergevel symboliseert de schoot, ofwel de aarde:

De achtergevel ligt op het noorden, de windrichting waar de zon nooit aan de hemel verschijnt en waar de aarde en het uitspansel de alleenheerschappij voeren.
Het vierkant en het rond vertegenwoordigen de dag en de nacht. Ofschoon ze aan elkaar tegengesteld zijn, zijn ze in de plattegrond, evenals de goddelijke Asvins, met elkaar in evenwicht.

De Nakula-Sahadeva-ratha vertegenwoordigt zowel de maand maart waarin dag en nacht aan elkaar gelijk zijn, als de ochtendschemering wanneer dag en nacht met elkaar in evenwicht zijn.
Het vlakje waarin deze ratha geplaatst wordt is geel: één van de kleuren van de ochtendzon.
Het getal twee is op verschillende manieren in deze ratha verwerkt:
-
hij is opgebouwd uit een cirkel en een vierkant,
-
hij telt twee verdiepingen met kleinere ratha’s,
-
het afdak wordt door twee leeuwenpilaren gedragen en
-
als laatste telt het hoefijzer in de voorgevel twee consoles.
Naast de goddelijke tweeling markeren deze elementen de tweede fase van de negenvoudige ontwikkeling.
De neergang van de Ganges
In Mahabalipuram is de gemiddelde temperatuur in mei 38 graden. Dit is zo heet dat mensen als bedwelmd buiten zichzelf kunnen raken. Ze kunnen gaan ijlen, of zelfs visioenen krijgen. Dit laatste komt terug in een scène van de neergang van de Ganges: links onder zit een man te mediteren terwijl in de ingang van de tempel een godheid verschijnt.

Gemiddeld genomen is het in maart in Mahabalipuram vrijwel droog, maar in april/mei begint het ondanks de hitte alweer zachtjes te regenen. In dit deel van India begint het natte periode dus al in de lente. Daarom zijn er in deze scène in de rivier drie slangen uitgehouden: zij symboliseren op de eerste plaats het wassende water en op de tweede plaats de derde fase van de negenvoudige ontwikkeling.
Vanwege de hitte is het derde vakje oranje gekleurd.
De tijgergrot

In juni bereikt de zon zijn hoogste stand. Hij is na april de derde hete maand en de hitte is daarom ondragelijk: de natuur droogt uit en dreigt te sterven. De tijger markeerde de dodelijke kracht van de hitte in juni.

De vier leeuwen die voor de gevel geplaatst zijn geven de vierde fase van de negenvoudige ontwikkeling aan.
Vanwege de hitte is het vlakje rood gekleurd.
De Draupadi ratha

Gezien de decoraties binnen en buiten was deze Draupadi-ratha oorspronkelijk aan Durga toegewijd.
In juli beginnen de nachten langer te worden. Dit gegeven werd in het oude India toegeschreven aan de invloed van de aarde, hier door Durga vertegenwoordigt.
Van juli tot en met september maakt de zuid-west moesson de aarde met zijn regens vruchtbaar. Dit wordt symbolisch door het dak weergegeven dat door vier halfronde dakdelen gevormd wordt. Deze stemmen min of meer overeen met het halfronde Dakshnagni-altaar dat aan de god van de lucht was toegewijd.
In de zomer heerst de zon volop en de kalisa, de vaas die nu naast de tempel staat maar op het dak behoort te staan, geeft weer dat de zon in dit seizoen de heer van de moesson is.
Vanwege de grotere regenval is een makara boven de ingang uitgesneden. Dit was een water-monster dat het rijdier van de riviergodin Ganga en van de watergod Varuna was.

Het getal vijf is in de Durga-ratha terug te vinden in de vijf shalabhanjikas die in de gevels zijn uitgehouden: twee in de voorgevel en de drie in andere gevels. Deze vrouwfiguren geven én de vijf aspecten van Durga én de vijfde fase van de negenvoudige ontwikkeling weer.
In juli begint de invloed van de aarde toe te nemen terwijl die van de zon afneemt: de Durga-ratha wordt daarom in een zwart vlakje geplaatst omdat zwart de kleur van de aarde is.
De bevruchting van de aarde door de zon

Het is bekend dat hete lucht opstijgt en dat vaste lichamen naar beneden vallen: ofwel hete lucht streeft omhoog terwijl vaste lichamen omlaag streven. Wanneer de hete zon overdag aan de zenit staat trekt de hete lucht de geest mee omhoog terwijl de aarde het lichaam naar beneden trekt. Op deze wijze worden geest en lichaam uit elkaar getrokken waardoor de dood intreedt.
Wanneer de zon echter zich s’nachts onder de aarde beweegt doordringt hij met zijn omhoog strevende kracht de naar beneden strevende aarde: hierdoor wordt de vallei gedekt en ontstaat er nieuw leven.
Dit wordt zichtbaar gemaakt door de opstaande driehoek over de neergaand driehoek te schuiven waardoor er zes kleine driehoeken ontstaan, drie omhoog gericht en drie omlaag: de nazaten van de twee oorspronkelijke driehoeken.

Overdag bevrucht de zon doormiddel van de wind de aarde. Dit wordt getoond door de voorgevel: de kalisa symboliseert de zon, het dak symboliseert de wind en de ondergevel is de akker, de tempel, het huis of het lichaam dat door de zon bevrucht kan worden.
De wind, een dienaar van de zon, doordringt met zijn regen de aarde en maakt het vruchtbaar. Daardoor ontstaan er nieuwe mannelijke en vrouwelijke schepselen, in dit geval kleine ratha’s.
Dit proces van doordringen en vermenigvuldigen voltrekt zich in de Bhima-ratha.
De Bhima-ratha

Deze ratha is toegewijd aan Bhima, de zoon van Vaju, de god van de wind. Hij is oost-west georiënteerd en verbeeldt het evenwicht tussen de zuid-west moesson en de noord-oost moesson.
De zuid-west moesson, die door de zon wordt opgewekt, duurt van juni tot september en de noord-oost moesson, die door Shiva wordt opgewekt, duurt van oktober tot en met december: september valt dus precies tussen deze twee moessonwinden in.
September is een vruchtbare maand: het gras groeit, het vee kan zich daarom van de hete zomer herstellen en het graan wordt deze maand ingezaaid.
De vruchtbaarheid wordt getoond doordat de ondergevel en het dak zichzelf vermenigvuldigen en kleine ratha’s voortbrengen, precies zoals de twee driehoeken zes kleine driehoeken hebben voortgebracht.
De zesde fase van de negenvoudige ontwikkeling wordt in de Bihma ratha gemarkeerd door zes leeuwenpilaren/pilasters die in de gevel zijn uitgehouden. Deze leeuwenpilaren/pilasters symboliseren het mannelijke ofwel de zon. Omdat ze in de ondergevel zijn uitgehouden geven ze aan dat de zon de aarde niet meer met zijn dodelijke hitte overheerst, maar zich nu met haar verenigd heeft.
De Arjuna ratha

Gezien de beelden in de ondergevel was deze Arjuna-ratha oorspronkelijk toegewijd aan Shiva, de god van de wind, van de vruchtbaarheid en van het hele uitspansel.
Naast hem staat zijn rijdier, de zeboe genaamd Nandi. Deze vertegenwoordigt het uitspansel zoals de waterbuffel de aarde vertegenwoordigt.
In de herfst en de winter overheerst Shiva ten koste van de zon. In deze streken brengt hij de noord-oost moesson voort die in de maanden oktober/november veruit de grootste neerslag van het jaar geeft.
Het graan aan het begin van de herfst werd ingezaaid zal onder zijn heerschappij opgroeien en geoogst worden.
Het getal zeven dat de zevende fase van de negemvoudige ontwikkeling aangeeft is in de ondergevels terug te vinden.
De Ganesh ratha

Dit heiligdom met zijn twee hoefijzer topgevels was oorspronkelijk aan Shiva toegewijd: op één top van de twee hoefijzers is zijn drietand nog te zien.
Shiva, de god van het uitspansel, heerst met zijn lange nachten zowel over de herfst als over de winter. Hij is de god van de vruchtbaarheid en hij heerst wanneer in september de gerst wordt ingezaaid wanneer het in december geoogst wordt en dat later bewerkt en verhandeld zal worden. December is dus de maand van de overvloed.
De voorgevel van de Ganesha-ratha telt maar vier leeuwenpilaren/pilasters in plaats van de acht die zij zouden moeten hebben. In december bereikt de nacht zijn grootste lengte nu Shiva, de god van het uitspansel, over de aarde heerst. De kracht van de zon is in deze maand gering en daarom is het aantal pilaren/pilasters gehalveerd. Daarnaast stemmen de vier leeuwen-pilaren/pilasters met de vier leeuwen van de tijgergrot overeen. Maar in de Ganasha-ratha hebben zij zich met de aarde verenigd en brengen zij nieuw leven voort terwijl zij in de tijgergrot de dood veroorzaken.

de Dharmaraja ratha

Ook de Dharmaraja ratha of Yuddhisthira-ratha was oorspronkelijk aan Shiva toegewijd. Toch is in de zuidgevel een beeld van Vishnu uitgeneden en een beeld Van koning Mamalla.
Zoals Shiva oorspronkelijk de god van de wind was zo was Vishnu oorspronkelijk de god van de zon en zoals de vrouw in verband gebracht werd met de aarde zo een koning in verband gebracht met de zon. Beiden, zowel Vishnu als koning Mamalla, geven aan dat het zonlicht in januari/februari aan kracht begint toe te nemen.
Deze negende ratha wordt niet door het getal negen gekarakteriseerd maar door het getal zestien dat de eindfase van de negenvoudige ontwikkeling markeert.
In de Chandogya upanishad 4, 5-8 worden de onderdelen van de zestienvoudige Brahman benoemd;
De vier stralenden; oosten, westen, zuiden, noorden.
De vier eindelozen; aarde, lucht, uitspanselruim, oceaan.
De vier lichten: vuur, zon, maan bliksemflits,
De vier schatkamers van ervaringen: adem, oog, oor, denken.
In deze ratha zijn vier maal vier leeuwen-pilaren/pilasters uitgehouden die samen de zestienvoudige Brahman symboliseren. Het is de laatste fase van de negenvoudige ontwikkeling: het hoogtepunt van het jaar.
In januari/februari wordt in deze streken daarom het Pongalfeest gehouden: het belangrijkste feest in Tamil Nadu. Het is het oogstfeest dat ook het einde van de zuid-oost moesson markeert.

In het schema wordt de ratha in een wit vlakje geplaatst. Wit omdat in de winter het licht vanaf januari krachtiger wordt. In het schema staat het tegenover de Durga-ratha dat in een zwart vakje geplaatst is.
In de eindfase van de ontwikkeling vindt er een terugkeer plaats naar de oorsprong, naar Shiva de schepper. Maar dit betekent niet dat men terugkeert naar een eeuwigdurende rust, maar dat men terugkeert naar het voortdurende scheppende en daarom weer verder gaat: in dit geval betekent dit dat het nieuwe jaar uit het oude wordt voortgebracht.
De arcitectuur van de heiligdommen drukt het religieus besef van de mens uit.
De ratha"s, die aan de basis van de hindoeïstische tempelbouw staat, markeren symbolisch de voortgang van het hele jaar en de uitgehouwen beelden vertellen ons welke goden in welke periode hun invloed uitoefenen. In die tijd zal dat voor iedere gelovige duidelijk zijn geweest.
Tom van Bakel
15 november 2008
Andere architectuur studie: http://symboliekmoskee.punt.nl/